Gedichten

 

Wij trachten in elke leesclubvergadering een gedicht te lezen of te beluisteren. Hierna de lijst van de gekozen gedichten.

 

pierre martinIn onze bijeenkomst van 21 april 2017 hadden wij een bijzondere gast, met name Pierre Martin Neirinckx, alias Wolf de Gaert. Hij stelde zijn nieuwe dichtbundel voor "Blessuretijd" en wij lazen samen met hem enkele gedichten. Voorafgaandelijk wijst de spreker erop dat er veel meer mensen zijn die gedichten schrijven dan mensen die gedichten lezen. Het grote thema in "Blessuretijd" is de vergankelijkheid en de tijd die met ons een loopje neemt. Gedichten opstellen betekent voor Pierre M. Neirinckx een moment van emotie vastleggen door middel van taal, net zoals een fotograaf dat moment van emotie via een foto zou vastleggen.

Pierre M. Neirinckx is het niet eens met Charles Bukowski wanneer hij zegt: "Het kost hoop, wanhoop, ongenoegen en desillusie om een paar goede gedichten te schrijven. Het is niet voor iedereen weggelegd, hetzij om ze te schrijven of zelfs maar om ze te lezen." Einde citaat.

De lievelingsdichters van Pierre M. Neirinckx zijn onder meer Arthur Rimbaud, Paul Verlaine, Ted Hughes, Hugo Claus, John Keats, Herman De Coninck.

 

Hierna volgt een selectie van een paar gedichten uit de dichtbundel Blessuretijd.

1. ELMER ELIAS (voor zijn kleinzoon; bevrijdend maar ook bedreigend)

Daar zit mijn kleinste zoon

In al zijn weergaloze charmes

Te splijten in onwetendheid

Van klein liefdesverdriet

Nu al!

 

Ik deel je eindeloos

Ongeduld

Kleine engel

Van schoonheid en verderf

 

Ik deel je willens nillens

Niemandsland

Van onverslagenheid

Onversagendheid

Voortvarende welwillendheid

 

In een grenzeloze beker

Van eindeloos terug kerend

Water

 

Zo zuiver

Dat het als een genadige waterval

Over jou blijft stromen

 

Onschuld

 

Klein onschuld

 

2. EN DE LEIE (geschreven in september 1977; gaat terug op de prilste jeugdherinneringen)

En de Leie

Die traag koelt

En diepe zachte sneden welt...

 

Het geluk was,

Herinner u,

Een hoge populier

Stil ruisend in zomernachten

En een oranje snuifdoos

Langs de kant van de weg

 

De tijd

Dat je dacht

Dat God bestond

 

De tijd

Van lachende gezichten

En Elodie

Die groente spoelt

Aan de boorden

Van de Leie

 

Een melkkan

Op het grind

Een dode ekster

in het gras

 

Na heel wat "gedichtenloze" vergaderingen knopen wij opnieuw aan met onze traditie.

Tijdens onze bijeenkomst van 27 februari 2017 las Hadewych ons een gedicht voor van Ilja Leonard Pfeijffer

 

LILALENTE

 

het is lente in de laat de kanterstraat
lente in de lange laan van poot
monkelt glim mevrouw jolien lahaye
poetst alle knoppen koper
pinkelt glom van weertje weer
pink (petronella) parlevliet de ree
gaat in de tuin een tuiltje tulpenblommen
buiten aquarellen
er piept het een of ander enig merelbeestje
in pim en wietske wielaards pergola
mevrouw milaine millecam vermuist een knäckerbrödje
mozarella met de blauwe blazer buiten
en een extra mokje karnemelk vandaag want het is lente
lila lente in de lusthoflaan en alle buren fluiten

 

In onze vergadering van 30 januari 2015 werden de volgende gedichten gebracht:

Lina bezorgde ons het winnende gedicht van de 6de poëzieprijs Melopee, ter gelegenheid van  gedichtendag 2015.

Kapper


Hij weet niet wie er woont onder mijn schedel,
maar zorgt met schaar en scheermes en tondeuse
dat het er onherbergzaam wordt en ieder mij
verlaat en op de vlucht slaat naar de verre plek


waar men maar beter zonder mij kan wonen.
Mijn kapper zwijgt zo traag dat hij zich peinzen
hoort en vraag na vraag welt pijnlijk in hem op.
O, alle vragen die hij mij niet stelt.


Maar sta ik uit zijn kapstoel op, voel ik mij
niettemin beroofd en kaal en leeggevraagd.
Daar waait mijn laatste engel uit mij weg: zie hoe
die zich te pletter vliegt tegen het spiegelglas.

Luuk Gruwez

 

Verschenen in: Poëziekrant, 37ste jaargang, nummer 5,
augustus-september 2013, p. 21

 

Tot slot bezorgde Doris ons ook nog een gedicht van Armando. Armando publiceerde vanaf 1954 poëzie. In 1999 verscheen zijn Verzamelde gedichten in een imposante bundel en leek dit deel van zijn veelzijdige oeuvre voltooid. Na tien jaar poëtische stilte verschenen er daarentegen nieuwe gedichten: de bundel Gedichten 2009. Hoewel hij als beeldend kunstenaar meermalen werd gelauwerd en hij ook Koninklijke onderscheidingen ontving, kreeg zijn poëzie lange tijd weinig erkenning. In januari 2011 kreeg hij echter voor Gedichten 2009 de VSB-poëzieprijs. Ook publiceerde hij onlangs een bibliofiele uitgave en de bundel Ze kwamen.

http://www.poetryinternationalweb.net/pi/site/poet/item/19320/6/Armando/nl


Doris selecteerde voor ons twee gedichten.


waarom zouden we
waarom zouden we wat we gedaan hebben
om vergeving vragen waarom
hebben we gedaan wat we moesten doen

we deden wat we konden om niet
te weten dat we leefden

----------------------------------------
uit: 'Verzamelde gedichten', 1999.


Haat


Is de haat vergeten?
Als sneeuw voor de hevige regen?

Vraag de haat wanneer hij kwam,
hoe de haat ontstaan is,
aan welke grens de haat geduldig wachtte
om ongestoord naar binnen te komen.

Vraag de haat hoe lang hij duurt,
hoe breedsprakig hij wil zijn,
op welke hoogte haatgevoelens
kunnen leven.

O haat, doornige haat.

------------------------
uit: Ze kwamen', 2011.

 

Nog in de sfeer van Allerzielen bracht Lina In onze bijeenkomst van 14 november 2014 een toepasselijk gedicht van Luk Vermeulen

 

Althans, zo dacht ik dat

als ook voor mij de laatste klokken luiden
vul dan het kerkgebouw met echt stilte
laat in het spel van warmte en van kilte
dat laatste uur het is – het was beduiden

hoor kuchen, snuiten, schuifelende voeten
bij offergang met zonlicht door de ramen
zwijg stil en denk dit is zijn laatste amen
zijn eeuwig stil zijn na het laatste groeten

luk vermeulen

 

Tijdens onze vergadering van 14 februari 2013 stelde Doris de volgende gedichten voor:

Een gedicht van Rupert Brooke met als titel: Clouds - Doris voegde er ook een korte biografie van de auteur aan toe.

Clouds

Down the blue night the unending columns press
In noiseless tumult, break and wave and flow,
Now tread the far South, or lift rounds of snow
Up to the white moon's hidden loveliness.

Some pause in their grave wandering comradeless,
And turn with profound gesture vague and slow,
As who would pray good for the world, but know
Their benediction empty as they bless.

They say that the Dead die not, but remain
Near to the rich heirs of their grief and mirth.
I think they ride the calm mid-heaven, as these,
In wise majestic melancholy train,
And watch the moon, and the still-raging seas,
And men, coming and going on the earth.

 

Rupert Brooke

dichter

Rupert Chawner Brooke (Rugby, 3 augustus 1887 - Skyros (Griekenland), 23 april 1915) was een Engelse dichter.
Brooke was de zoon van een leraar aan de bekende school in Rugby en werd daar zelf ook opgeleid. Vervolgens bezocht hij de Universiteit van Cambridge, waar hij in 1909 afstudeerde. Daarna reisde hij door Europa en in de jaren 1913-1914 ook door de Verenigde Staten, Canada en Nieuw-Zeeland. Voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij terug in Engeland en nam dienst bij de marine. In 1915 vertrok hij op expeditie naar de Dardanellen, maar aan de militaire campagne zou hij niet deelnemen: hij overleed aan bloedvergiftiging door een geïnfecteerde muggenbeet en werd begraven op het eiland Skyros.
Brooke begon met het schrijven van poëzie toen hij nog op school zat in Rugby. Zijn eerste bundel, Poems, werd gepubliceerd in 1911. Zijn dichterstalent werd bewonderd, maar ook zijn knappe uiterlijke verschijning. De dichter William Butler Yeats omschreef hem als 'de knapste jongeman in Engeland'. De bundel 1914 and Other Poems verscheen in 1915. De oorlogssonnetten maakten diepe indruk.
Een bundel met verzameld werk werd uitgegeven in 1918. De uitgave van 1952 is echter de meest volledige. In 1956 verscheen The Prose of Rupert Brooke, met een verzameling artikelen en niet eerder gepubliceerde manuscripten. Letters from America (1916) bevat een serie artikelen die Brooke vanuit de Verenigde Staten schreef voor het blad The Westminster Gazette.

 

En omdat het Valentijnsdag was trakteerde Doris ons op een extra gedicht, een van Herman De Coninck

De lenige liefde

Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen. Ik woon hier, zei je.
Ik keek naar de bloemen. Ja, dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? Ook hier, zei je.
Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
En daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
Een oortje, waarin ik het lange woord
'lieveling' uitgoot, zonder morsen.

Herman de Coninck

 

Voor onze vergadering van 15 november 2013 had Lina voor een heel toepasselijk gedicht gezorgd:

 

Herfst

De herfst gebeurt zonder dat wij het merken
tenzij in uiterlijke tekens: bladerval
de appels in het gras, de vogels zwermen,
de wolken en de wind van overal

Maar de vermoeidheid van het jaar zit dieper
in elke mens, en verder ondergronds,
de sappen en het bloed gaan trager stromen
en alles krijgt de kleur van tin en brons.

(Anton van Wilderode. Het oudste geluk.1995)

 

 

Tijdens onze vergadering van 15 maart 2013 heeft Lina op onnavolgbare wijze het gedicht Dinska Bronska van Karel van den Oever voorgedragen. Onder het filmpje staat de tekst van het gedicht.

 

 

 

Dinska Bronska


Uit een oud dorp,
- kameelbruin als de steppe -
uit Plocka,
kwam Dinska Bronska.
Haar hoofddoek was pruisisch-blauw
en haar haar vlas-geel;
ook waren haar ogen blauw
als fjord-water.
Zij rook naar knoflook en spar,
zij droeg laarzen
en ging zeer zwaar en gauw.
In het "Hotel Lapland" zat zij
bij een tafel aan het straat-raam
zij schreef 'n brief.
Een haarlok viel laag op haar rode kaak
en zij stak haar tong uit,
want ze schreef moeilijk die brief
en daaronder "Dinska Bronska", haar naam.
Ze stak ook de penstok in haar mond
en zocht met haar ogen langs het plafond.
Op het papier waren 'n inktvlek
en groot gestompel van letters:
zij kocht het voor tien centiem
in de kruidenierszaak
over het hotel.
Er was 'n beetje inkt aan heur kaak.
O, Dinska Bronska;
gij vertrekt naar Canada:
de verroeste stoomboot wacht langs de kaai.
Gij laast op een almanak
der "Red Star Line"
dat Canada grotere appels,
o, hoger en geler koren heeft dan Plocka.
Het moet in Canada veel beter zijn!
O, Dinska Bronska,
met je zeer dikke vingers:
je schrijft zo moeilijk die brief.
Je ogen zoeken vliegen op het plafond.
"Moj Boze!"
Er zit 'n tranen-veeg,
o zo verdrietig,
van je blauwe ogen naar je mond.
O, Dinska Bronska!


Karel van den Oever (1879-1926)

 

 

Voor onze leesclubvergadering van vrijdag 18 januari 2013 las Hadewych ons twee klassieke en heel mooie gedichten voor: Wat is Geluk van Rutger Kopland en De Wolken van Martinus Nijhoff.

Wat is geluk

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en omdat het ons herinnert

Rutger Kopland

(uit de bundel  “Tot het ons loslaat”)

 

De wolken

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder -
De wond'ren werden woord en dreven verder,
Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende.

Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.

Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide -

Martinus Nijhoff

(uit "Verzamelde gedichten")

Voor onze leesclubvergadering van vrijdag 16 november 2012 koos Lucie het gedicht De Waterlelie van Frederik van Eeden en dit uit pure nostalgie naar de schooljaren waarin dit gedicht uit het hoofd moest kunnen worden opgedreund!

De Waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer…

van
Frederik van Eeden (1860-1932)

Uit: Van de passielooze lelie (1901)
Uitgever: W. Versluys, Amsterdam

Voor een bespreking van dit gedicht kunt u terecht op de website van "klassieke gedichten"

http://klassiekegedichten.net/index.php?id=64

 

Voor onze leesclubvergadering van vrijdag 21 september 2012 had Hadewych het volgende gedicht meegebracht. In het licht van het te bespreken boek was het bovendien een heel toepasselijk gedicht. Het is een gedicht van Gerrit Komrij en verscheen in zijn recente, postuum gepubliceerde dichtbundel "Boemerang" , een van de zwartste dichtbundels sinds jaren.

Eeuwigheid

Nu is hij weer terug bij het begin.
Alleen de dood heeft toekomst. Binnenkort
Zal hij weer kleuter zijn en benjamin
En door een zoetelief worden beknord

Die hem bezweert dat zij zijn moeder is.
Hij zal zo jong en mooi zijn als hij wil.
Hij zal zo rap zijn als een hagedis.
Een wildebras en, als het moet, muisstil.

Hij zal een jongen worden en een man.
Hij zal de kop verpletten van de slang.
Totdat hij stokt. Het komt er niet meer van.
Hij wordt volwassen en hij is weer bang.
(Gerrit Komrij)

 

Denise stelde volgend gedicht voor tijdens onze vergadering van 20 april 2012. Zij koos voor een Franstalig gedicht geschreven door Simone Babinger, eveneens auteur van de boeken "Histoire et illustration de la vigne et du vin" en "L"orangerie, jardin de l'Europe"

 

Histoire d'Amour

Dans l'ombre du caveau, une bouteille attend,
Couverte de poussière, dans un profond silence,
Depuis bientôt vingt ans! Et soudain, elle entend
Un pas sûr et discret, devine une présence…

Brusquement, il est là, celui qu'elle espérait.
D'une douce lumière, il éclaire son gîte.
Il la voit, tend la main, et l'accord et parfait !
Pour la première fois, enfin, elle palpite…

Il la prend tendrement, la couche sur son bras
Et l'emporte… Bientôt, elle est ouverte,
Sur une table ronde au somptueux habit.
Elle respire enfin, dans la salle déserte.

Les invités arrivent. Tout autour de la table,
Ils s'installent…Alors, lui la reprend en main,
L'incline doucement et le vin délectable
Coule dans le cristal en un ruisseau divin.

Quelques instants plus tard, près d'un bouquet de roses,
En son panier d'argent elle repose,
Vidée de sa riche substance, morte d'amour
Pour un beau sommelier au regard de velours.

 

(Uit: "Poésies" uitgegeven in eigen beheer in 1997)

 

De vergadering van 24 februari 2012 leverde twee gedichten op: Hadewych las ons het korte maar heel mooi gedicht "Licht" voor:

Licht zou de plaats kunnen zijn
waar een gedachte zich baadt, zacht
wentelend, zich niet bekommerend
om haar verblijf; licht zou de
uitgedroogde bodem kunnen zijn
van de rivier, na een lange, schrale zomer;
of de diepste kamer van het hart, nadat
het bonzen als een dienaar weggelopen is.
En licht zou jou en mij kunnen vervangen. Kijk!
De wereld van hieruit is donker violet.
Beschijn het landschap maar
met licht dat je geworden bent.

(Peter Ghyssaert - Uit: Ezelskaakbeen, Atlas)

 

In diezelfde vergadering zorgde Doris voor een lang en een kort gedicht over de oorlog:

beide gedichten kunt u hier terugvinden.

 

Naar aanleiding van onze uitstap naar de Westhoek op 11 november 2011 bezorgde Doris ons het volgende, heel toepasselijk gedicht.

In Flanders fields (lieutenant-kolonel John McCrae, 1872-1918)

In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
Scarce heard amid the guns below.
We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields.
 
 

Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/In_Flanders_Fields

 

 

Voor de vergadering van 21 april 2010 werd voor een gedicht van Hans Andreus gekozen.


Opening van het seizoen

De zon opent de bloemen:
de vrouwen van het voorjaar
vertolken kelken van kleur.

Zij wiegen het licht behoedzaam
aan hun borst en in hun schoot.
De wereld kijkt ernaar.

Zelfs de kinderen staren
met hun voor één moment ineens
allesbegrijpende ogen.

 

Hans Andreus: (1926-1977) Pseudoniem van J.W. van der Zant. Dichter en prozaïst. Wordt tot de Vijftigers gerekend. Schreef sensitieve, veelal toegankelijke poëzie. Zijn bundel De sonnetten van de kleine waanzin (1957) verwierf grote bekendheid. In 1995 verscheen de biografie Hans Andreus geschreven door Jan van der Vegt.

Kort voor zijn dood vroeg de dichter Hans Andreus aan Jan van der Vegt om zijn literaire nalatenschap te beheren. Van der Vegt heeft zich voortreffelijk van die taak gekweten: twaalf jaar lang werkte hij aan een biografie, dolf een schat aan persoonlijke gegevens op en slaagde erin nieuw licht te werpen op opzienbarende feiten uit het leven die Andreus zelf als 'schaduwbiografie' in zijn oeuvre had verwerkt. Jan van der Vegt heeft het schokkende en tragische levensverhaal van een van de meest geliefde dichters van Vijftig op bewonderenswaardige en fijnzinnige wijze voor altijd weten vast te leggen. (De Prom; 1995; 560 blz.) Die biografie meldt niets bijzonders over dat gedicht of de bundel "Luisteren met het lichaam..." waar het gedicht "Opening van het seizoen" uit komt.

Zoals gezegd kende Andreus een bewogen leven. Zo werd hij bijvoorbeeld in de periode van verschijnen van de voornoemde bundel vader van een dochtertje dat een mongooltje was met zeer slechte gezondheid. Twee jaar later is het meisje gestorven. Die moeilijke situatie leidde tot een echtscheiding van zijn vrouw, terwijl ze een tweede kind verwachtten. Een zoon werd geboren, die wel gezond was. Hans Andreus stierf trouwens jong, op 51-jarige leeftijd, aan de gevolgen van kanker.

 

Voor de vergadering van 18 februari 2011, toen wij Ademschommel bespraken stelde Doris een gedicht van Bertolt Brecht voor.

An die nachgeborenen

Wij beluisteren het via youtube. Het werd door de auteur Bertolt Brecht zelf voorgelezen; wij beschikten ook over de vertaling.

(momenteel niet meer beschikbaar)

 

 

 

Voor de vergadering van 29 oktober 2010, toen wij Anna Karenina bespraken, koos Maria voor een gedicht van Aleksandr S. Poesjkin

(zo bleven wij in de Russische sfeer en gezien het thema van het boek, de passionele liefde, was dit een heel toepasselijk gedicht)

 

Ik had u lief

Ik had u lief;
misschien is zelfs de liefde in 't diepst van mij nog niet gans uitgedoofd.
Maar 'k hoopte dat zij u niet meer griefde,
ik wil ook niet dat iets u nog bedroeft.

Ik had u lief in stilte,
geen verwachting, eerst schuchter en dan weer jaloers gezind.
Ik had u lief, zo teder, zo aandachtig
als, God geve, een ander u ooit mint.

 

Voor de vergadering van 20 november 2009, toen wij "Zaterdag" van Ian McEwan bespraken, zorgde Doris voor een heel toepasselijk gedicht.

Zij had het gedicht uitgekozen dat in "Zaterdag" wordt voorgedragen door Daisy, de dochter van Perowne, terwijl ze door Baxter, de inbreker wordt bedreigd. Gedicht van Matthew Arnold;

Dover Beach

The sea is calm to-night.
The tide is full, the moon lies fair
Upon the straits;--on the French coast the light
Gleams and is gone; the cliffs of England stand,
Glimmering and vast, out in the tranquil bay.
Come to the window, sweet is the night-air!
Only, from the long line of spray
Where the sea meets the moon-blanch'd land,
Listen! you hear the grating roar
Of pebbles which the waves draw back, and fling,
At their return, up the high strand,
Begin, and cease, and then again begin,
With tremulous cadence slow, and bring
The eternal note of sadness in.


Sophocles long ago
Heard it on the {AE}gean, and it brought
Into his mind the turbid ebb and flow
Of human misery; we
Find also in the sound a thought,
Hearing it by this distant northern sea.


The Sea of Faith
Was once, too, at the full, and round earth's shore
Lay like the folds of a bright girdle furl'd.
But now I only hear
Its melancholy, long, withdrawing roar,
Retreating, to the breath
Of the night-wind, down the vast edges drear
And naked shingles of the world.


Ah, love, let us be true
To one another! for the world, which seems
To lie before us like a land of dreams,
So various, so beautiful, so new,
Hath really neither joy, nor love, nor light,
Nor certitude, nor peace, nor help for pain;
And we are here as on a darkling plain
Swept with confused alarms of struggle and flight,
Where ignorant armies clash by night.

 

HOME